Na de Apocalyps. Literatuur na 1918.

Bestaat er nog kunst na de Apocalyps? Dat is een vraag die veel kunstenaars zich stellen nadat de kanonnen zijn gestopt met bulderen en een horror vacui dreigt. Sommigen beantwoorden die vraag ontkennend, denk bijvoorbeeld aan de dadaïsten, anderen vinden dat het juist de taak is van de literatuur om verslag te doen van deze gruwel of zelfs om te proberen deze te duiden. Weer anderen zien het als hun plicht om te zorgen voor een lichte noot om de broodnodige vergetelheid te bieden. Hoe dan ook, de pennen blijven in beroering. Virginia Woolf experimenteert met het modernisme, P. G. Wodehouse laat het Engeland van net voor de Eerste wereldoorlog komisch herleven met zijn door en door stiff upper lip butler Jeeves. In Duitsland, dat de oorlog heeft verloren, levert Tucholsky messcherpe satirische kritiek en Erich Kästner zijn enige volwassenenroman, Fabian. In Frankrijk is Proust eindelijk aan het einde van zijn zoektocht gekomen en kan Apollinaire zich erop beroemen dat hij een schedellichting heeft overleefd. Paul van Ostaijen keert zich steeds meer af van de traditionele literatuur en evolueert naar een steeds vrijere typografie en bladspiegel. De inhoud van Ungaretti’s poëzie zal zich blijvend concentreren op de mysteries van het menselijke bestaan.